Steenhuizen en Borgen

De Schierstins in Veenwouden (foto Albert Buist)

Steenhuizen

In de 13e en 14e eeuw ontstonden steenhuizen. Uit de steenhuizen ontstonden later de borgen. Ze waren gemaakt van baksteen. Bijzonder, want het was vooral hout waarmee werd gebouwd. Een steenhuis was een vierkant of rechthoekig bouwwerk. Aanvankelijk bewoonde men de steenhuizen niet. Ze functioneerden bij gevaar als toevluchtsoord, net zoals kerken. Steenhuizen hadden dikke muren en kleine vensters. Vaak lagen ze op een hogere plek en soms werden ze omgeven door een gracht. De toegang was op de eerste verdieping en alleen toegankelijk met een ladder.  Als iedereen binnen was, kon de ladder omhoog. In rustige tijden werd het steenhuis gebruikt als opbergplaats voor bijvoorbeeld graan. Later bewoonde men de torens wel. Niet alleen op het platteland, maar ook in de steden ontstonden woontorens.  Het stadje San Gimignano in Toscane (Italië) is beroemd om zijn veertien woontorens.

San Gimignano (foto Albert Buist)

In Groningen stonden ooit honderden steenhuizen. Behalve het Iwema Steenhuis bij Niebert zijn ze nu allemaal verdwenen. Niet ver van Groningen liggen twee mooie voorbeelden van steenhuizen, het Steinhaus Bunderhee bij Bunde en de Schierstins in Veenwouden . Resten van een steenhuis zijn teruggevonden in de Menkemaborg en de Fraeylemaborg.

Door de introductie van buskruit verliezen de steenhuizen na 1450 geleidelijk hun militaire functie. Blokhuizen, zoals bij Delfzijl, nemen de militaire functie van steenhuizen over. De meeste steenhuizen raken in verval en worden gesloopt. In een enkel geval rest nog de heuvel waarop ze stonden, een zogenaamde wier. In Marum ligt de enige wier van de provincie Groningen, de bult van Marum.

Borgen

Enkele steenhuizen ontwikkelden zich tot versterkte woonhuizen met gracht en toegangspoort, maar zonder militaire betekenis. In Groningen heten deze huizen borgen, afgeleid van het woord burcht. In de 17e eeuw verfraaiden de borgheren de borgen met parken met vijvers, heuvels, doolhoven, duivenpoorten en zonnewijzers.

Landhuizen noemt men soms ook borgen. Dat is verwarrend, want ze ontwikkelden zich niet uit steenhuizen. Ekenstein bij Appingedam is hiervan een voorbeeld.  Dit landhuis fungeerde als buitenplaats voor invloedrijke families. Uit statusoverwegingen werd Ekenstein een borg genoemd.

Ook zijn er veenborgen en tichelborgen (tichel=steen). Bij Sappemeer ligt de veenborg Welgelegen, gebouwd door een ondernemer die veen in het gebied wilde ontginnen. Rusthoven bij Appingedam is een tichelborg. De eigenaar bezat de nabijgelegen steenfabriek. Beide borgen vallen feitelijk in de categorie van landhuis. Een verdedigingsfunctie hebben ze nooit gehad.

Een sluitende definitie van een borg is moeilijk te geven. Vaak is het criterium dat aan het gebouw rechten waren verbonden, zoals het jachtrecht of het collatierecht. Dat was meestal het geval, maar niet altijd. In zijn standaardwerk over de Ommelander Borgen heeft Formsma de kwestie praktisch opgelost. Hij bespreekt alle gebouwen waarin het woord borg voorkomt. Bij het maken van de lange afstandswandeling het Groninger Borgenpad is Formsma gevolgd. Daarom gaat het Groninger Borgenpad ook langs de landhuizen zoals Ekenstein en Welgelegen.

Welgelegen, veenborg te Sappemeer
Welgelegen in Sappemeer (foto Albert Buist)