Steenhuizen en Borgen

In de 13e en 14e eeuw ontstonden steenhuizen, gebouwd met baksteen. Bijzonder, want hout was het bouwmateriaal bij uitstek. Aanvankelijk bewoonde men de steenhuizen niet maar functioneerden ze als toevluchtsoord, net zoals kerktorens. In ieder geval zullen ze niet comfortabel zijn geweest om in te verblijven. Men bouwde ze vaak op een hogere plek en soms met een gracht erom heen. De toegang was op de eerste verdieping en alleen toegankelijk met een ladder.  Als iedereen binnen was, kon de ladder omhoog. In rustige tijden werd het steenhuis gebruikt als opbergplaats voor bijvoorbeeld graan.

In Groningen hebben honderden steenhuizen gestaan, maar ze zijn allemaal verdwenen.  Het Iwema Steenhuis bij Niebert ziet eruit als een boerderij, maar het voorhuis is het restant van een steenhuis.  Vlak over de provinciegrens liggen twee mooie voorbeelden van steenhuizen. Steinhaus Bunderhee bij Bunde en de Schierstins in Veenwouden  (foto hierboven). Voor het Noorden zijn dat de enige twee voorbeelden. Resten van een steenhuis zijn teruggevonden in de Menkemaborg en de Fraeylemaborg.

De steenhuizen verliezen na 1450 door de introductie van buskruit geleidelijk hun militaire functie, tenzij men ze ombouwt tot kasteel (Wedde). Blokhuizen, zoals bij Delfzijl, nemen de militaire functie van steenhuizen over. De meeste steenhuizen raken in verval en worden gesloopt. In een enkel geval rest nog de heuvel, wier, waar ze op stonden. In Marum ligt de enige wier van de provincie Groningen, de bult van Marum.

Enkele steenhuizen ontwikkelden zich tot versterkte woonhuizen, nog wel met gracht en toegangspoort, maar zonder militaire betekenis. In Groningen noemt men deze huizen borgen, afgeleid van het woord burcht. In Friesland spreken we van states en in Drenthe van havezates.  In de 17e eeuw legden de borgheren bossen aan en kregen de borgen parken met vijvers, heuvels, doolhoven, duivenpoorten en zonnewijzers.

Verwarrend is dat gebouwen die zich niet vanuit een steenhuis ontwikkelden ook borg worden genoemd. Voorbeelden zijn Rensumaborg bij Uithuizen of Ekenstein bij Appingedam. Deze landhuizen fungeerden als buitenplaats voor invloedrijke families. Uit statusoverwegingen kreeg ze de naam borg.

Daarnaast spreekt men van veenborg en tichelborg (tichel=steen). Bij Sappemeer ligt de veenborg Welgelegen, gebouwd door de ondernemer die veen in het gebied wilde ontginnen. Rusthoven, bij Appingedam, noemt men een tichelborg. De eigenaar bezat de nabijgelegen steenfabriek. Beide borgen vallen feitelijk in de categorie van landhuis. Ze hebben nooit zoals het steenhuis een verdedigingsfunctie gehad.

Een sluitende definitie van een borg is moeilijk te geven. Soms hanteert men voor een borg het criterium dat aan het gebouw rechten waren verbonden, bijvoorbeeld het jachtrecht of het recht de predikant te benoemen (collatierecht). Dat was inderdaad meestal het geval, maar niet altijd. In zijn standaardwerk over de Ommelander Borgen heeft Formsma de kwestie praktisch opgelost door alle gebouwen te bespreken waarin het woord borg voorkomt.