Hoofdelingen en jonkers

Hoofdelingen en jonkers bewoonden de steenhuizen en later de borgen. We kennen hun familienamen zoals Ripperda, van Ewsum, Menkema, Clant, Lewe, Rengers, Alberda en Onsta.  Hoe is deze groep machtige families ontstaan?

       

Wapen van Ripperda

geen landsheer

Omstreeks 1100 behoorden de Lage Landen officieel tot het Duitse rijk, maar de Duitse keizer was niet in staat om zijn gezag hier te laten gelden. Het waren de graaf van Holland, de bisschop van Utrecht en de hertog van Gelre die in de Lage Landen de dienst uitmaakten. Maar deze machthebbers hadden in Friesland en Groningen weinig te vertellen. De inwoners bepaalden zelf wat er gebeurde. Ze noemden dat de Friese Vrijheid.

De Friese Vrijheid betekende niet dat er sprake was van een democratische samenleving. Integendeel, kenmerkend voor de samenleving was de ongelijkheid. Bij gebrek aan centraal gezag waren het de machtige heren in de dorpen, de hoofdelingen, die zorgden voor het handhaven van rust en orde. Zij bezaten ook de gewapende macht om hun wil op te leggen. 

Redmer Alma schrijft in De Ommelander adel in de Middeleeuwen dat er in de periode 1400-1550 zesentwintig plaatsen zijn met hoofdelingen. Een opvallend verschil met Friesland waar elk dorp wel een hoofdeling had. 

       

Wapen Van Ewsum-Nienoord

rechten gaven macht

Het verzamelen van zoveel mogelijk rechten was een belangrijk doel voor een hoofdeling. Wat waren dat voor rechten? Het kon gaan om het recht zitting te nemen in de zijlvesten, die zich bezighielden met het waterbeheer. Of om collatierechten, het recht om de predikant te benoemen. Of om rechten van bestuur en rechtspraak. Al deze rechten gaven niet alleen politieke macht, maar ook inkomsten.

adel?

Is de groep hoofdelingen als adel te beschouwen? Historici als Formsma en Feenstra twijfelden daaraan. Recent onderzoek van Redmer Alma laat echter zien dat in de periode 1400-1550 er  sprake is van een door geboorte bepaalde stand in de samenleving. Bezit van grond of rechten was op zich niet voldoende om tot die stand gerekend te worden. Daarom vindt Alma dat je de hoofdelingen als adel kunt beschouwen. Het beeld dat jonkers eigenlijk boeren zijn die zich omhoog hadden gewerkt blijkt echter zeer hardnekkig. 

In de tweede helft van de 16e eeuw raakte de term hoofdeling in onbruik en ging men zich jonker noemen. De term hoofdeling werd nog wel gebruikt voor degenen die het redger ambt bekleedden, maar dat konden ook mensen zijn die niet tot de adellijke families behoorden. 

     

Wapen van Alberda

ridderschap

Pogingen van de jonkers om tot een aparte stand, een ridderschap, te worden erkend, liepen op niets uit.  Tijdens de Bataafse Republiek (1795-1806) verloren de jonkers hun rechten. Daarmee was de macht van de jonkers gebroken. Pas in 1815, met het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden,  werd de groep jonkers als een aparte groep erkend en mochten ze zich jonkheer gaan noemen. Hun oude macht kregen ze echter niet terug. Met de grondwet van 1848 was het definitief gebeurd met de groep jonkers als bevoorrechte groep (en dat gold ook voor de adel in de rest van het land).