De jonkers

       Wapen van Ripperda

Wie waren de bewoners van de steenhuizen en later de borgen?  We kennen hun familienamen zoals Ripperda, van Ewsum, Menkema, Clant, Tjarda van Starkenborgh, Lewe, Rengers, Sickinghe, Alberda, Onsta en Panhuys.  Hoe is deze groep ontstaan?

Om het ontstaan te kunnen begrijpen, moeten we teruggaan tot diep in de Middeleeuwen. Omstreeks 1100 behoorden de Lage Landen officieel tot het Duitse rijk, maar van een effectief gezag van de keizer was geen sprake. Het waren de graaf van Holland, de bisschop van Utrecht en de hertog van Gelre die in de Lage Landen de dienst uitmaakten. Maar deze machthebbers hadden in Friesland en Groningen weinig te vertellen. Een poging van graaf Willem IV van Holland om de Friese landen bij Holland te voegen mislukt. In 1345 wordt zijn leger vernietigd en hijzelf gedood in de Slag bij Stavoren. Ruim honderd jaar eerder werd een leger van de bisschop van Utrecht in de pan gehakt bij Ane (1227) in de buurt van Coevorden. Ook latere pogingen van de graaf en de bisschop om effectief hun gezag te vestigen, mislukten. Dat maakte dat de inwoners van de huidige provincies Friesland en Groningen vooral zelf bepaalden wat er gebeurde. Ze noemden dat de Friese Vrijheid.

De Friese Vrijheid betekende overigens niet dat er sprake was van een democratische samenleving waarin alle bewoners evenveel te vertellen hadden. Macht werd vooral bepaald door grondbezit. Binnen de groep grondbezitters waren er verschillen tussen hen die veel en hen die minder grond bezaten. De rijkeren bouwden een steenhuis om hun status te onderstrepen. Ze hadden een groepje gewapende mannen in dienst en noemden zich hoofdeling.

Bestuur en rechtspraak werden uitgeoefend door boeren die een bepaalde hoeveelheid grond bezaten. Dat waren de bewoners van de edele heerden, boerderijen met minstens 15 hectare grond. Bij toerbeurt traden deze eigenerfde boeren gedurende een jaar op als grietman (Westerkwartier) of redger (Hunsingo, Fivelingo). In zogenaamde klauwboeken werd vastgelegd in welke volgorde de bewoners van deze heerden dit recht mochten uitoefenen.

De situatie wijzigde toen rijke mensen heerden gingen opkopen om in het bezit te komen van de bijbehorende rechten. Een eigenaar van een aantal heerden kon dus gedurende meerdere jaren optreden als bestuurder. Met de toenemende concentratie van macht, nam ook het aantal rechten verbonden aan de heer/hoofdeling toe. De ongelijkheid nam toe.

       Wapen Van Ewsum-Nienoord

In de 15e en 16 e eeuw was het zover dat men de rechten los ging verkopen van de grond. Een boer die gedurende zijn leven misschien twee keer aan de beurt was om zijn recht te gebruiken, was wellicht geneigd dat recht te verkopen. Meer en meer concentreerde de macht zich bij een klein aantal rijke families. Tenslotte gingen ze zich als een aparte stand beschouwen en noemden zich jonker.

Een hoofdeling/jonker had een borg, veel land en rechten waarmee hij rechterlijke, bestuurlijke en kerkelijke functies uitoefende. En, niet onbelangrijk, hij bezat een gewapende macht. In Friesland ging de macht van de hoofdelingen verloren in 1498 door toedoen van Albrecht van Saksen. Dat gold niet voor Groningen. Hoofdeling was geen erfelijke titel, dus als je je bezit verloor, viel je uit de groep. Verder ontwikkelden niet alle hoofdelingen zich tot jonker.

Wat waren dat voor rechten? Het kon gaan om zitting te nemen in de zijlvesten, die zich bezighielden met het waterbeheer. Het kon gaan om collatierechten, dat was het recht om de predikant te benoemen, en rechten van bestuur en rechtspraak. Deze rechten gaven niet alleen politieke macht, maar ook inkomsten. Opgelegde boetes waren voor een deel voor de redger/grietman. Het benoemen van een predikant leverde ook een bepaalde som op. Taken die tegenwoordig door een notaris worden verricht, kwamen ook in handen van de jonkers. Ook dat leverde geld op. Zwanen en duiven houden (zwanendrift en duivenslag) waren ook rechten. En zo waren er nog veel meer. Het verzamelen van zoveel mogelijk rechten was een belangrijk doel voor een hoofdeling/jonker.

Het gaat om een groep mensen die zichzelf tot jonker benoemde. Er was geen sprake, zoals elders, dat een leenheer iemand tot de adelstand promoveerde. De titel jonker kon dus alleen beklijven als je ook gedurende lange tijd de macht uitoefende. Tot 1600 was de groep jonkers nog niet gesloten en konden rijke burgers die landbezit met rechten bezaten nog opgenomen worden in de groep. Daarna gebeurde dat niet meer. Van Eek van Ekenstein bijvoorbeeld was geen jonker.

      Wapen van Alberda

Een jonker trouwde vrijwel uitsluitend binnen de groep jonkers. Dat leidde ertoe dat echtelieden vrijwel altijd verwant waren. Pogingen om tot een aparte stand te worden erkend, liepen op niets uit.  Tijdens de Bataafse Republiek (1795) werden de meeste privileges afgeschaft. Daarmee was de macht van de jonkers gebroken. Pas in 1815, met het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden,  werd de groep jonkers als een aparte groep erkend en mochten ze zich jonkheer gaan noemen. Hun oude macht kregen ze echter niet terug. Met de grondwet van 1848 was het definitief gebeurd met de groep jonkers als bevoorrechte groep (en dat gold ook voor de adel in de rest van het land).